“Het gaat wel” op je werk: waarom dat vaak het echte probleem is.
Leestijd: 2 minuten
“Het gaat wel. En dat is precies het probleem.”
Er is niets mis. Maar ook niets goed. Je doet je werk. Je levert wat je moet leveren. Je zegt: het gaat prima, ik red het wel. En ergens klopt dat ook. Want je functioneert, je komt je bed uit, je draait mee. Maar ondertussen schuurt het. Niet omdat je niet kunt wat je doet, maar omdat het je niets meer geeft. Je merkt het als je aan het einde van de dag thuiskomt en je geen ruimte meer hebt om te voelen wat je eigenlijk vindt. Je merkt het aan hoe je tegen maandagen aankijkt, aan de dingen waar je ooit energie van kreeg maar nu alleen nog op leegloopt. Je merkt het als je merkt dat je merkt dat je eigenlijk geen zin meer hebt om te merken.
En dan komt dat stemmetje. Eerst klein. Zou dit het zijn? Moet ik niet iets anders? Is dit het dan tot aan mijn pensioen? En je jaagt het weg, want je wilt niet ondankbaar zijn. Je hebt toch een goede baan? Een vast contract. Collega’s die oké zijn. Een leidinggevende die je met rust laat. Je hoort jezelf dat zeggen. Alsof je jezelf moet overtuigen dat je nergens recht op hebt. Alsof verlangen naar iets dat wél past meteen betekent dat je een luxeprobleem hebt.
Maar dat is het niet. Het is geen luxeprobleem. Het is een signaal. En het doet niet ineens pijn, het druppelt. Het is langzaam leeglopen. Onzichtbaar van buiten, maar van binnen voel je het elke dag iets meer.
Dat is waar twijfel begint. Niet als falen, maar als richting. Niet omdat je niet sterk genoeg bent, maar juist omdat je te lang sterk bent geweest.
Twijfel is geen teken dat je moet stoppen. Twijfel is een uitnodiging om eindelijk te luisteren naar iets wat je al veel eerder hebt gevoeld, maar nooit hebt durven uitspreken.
Je hoeft nog niets te veranderen. Maar je mag wel ophouden met jezelf wijsmaken dat dit normaal is.
